Waar een klein land groot in is. Dat denk ik als ik de staat van privacy in Nederland beschouw. We lopen, zeker Europees gezien, echt voorop als het gaat om de privacyschending van burgers. Laat ik beginnen met een kleine greep uit het assortiment. Alle nieuwe paspoorten moeten voorzien zijn van de vingerafdrukken van de eigenaar, we hebben een terughackende politie die zijn eigen malware loslaat op de software van verdachten, we zijn internationaal kampioen telefoon- en internettaps plaatsen, we delen data van onze burgers (al dan niet terecht) zonder al te veel problemen met andere landen en tot slot hangen boven elke weg en op elke hoek van de straat camera's die ons overal vastleggen. De een iets mooier dan de ander.
Nederland werkt eigenlijk toe naar het ideaal van de Google's en Facebook's van deze wereld: privacy bestaat niet meer. Zowel in het hoorcollege als in de tekst van Lyon wordt 9/11 als een keerpunt genoemd als het gaat om de manier waarop een overheid omgaat met haar burgers. Lyon noemt het zelfs de ‘culture of control’ (Lyon, 2007:111). Stephan Okhuijsen, sprekend namens Bits of Freedom, neemt ons in zijn verhaal mee langs een aantal enge feiten en overzichten. Dit verhaal spreekt meer tot de verbeelding dan de tekst van Lyon, die zich richt op een van de representaties van de culture of control: de huidige staat van de identiteitskaart. Okhuijsen raakt wat mij betreft de kern van het probleem: de balans tussen macht en burger is zoek en het bewustzijn hiervan ontbreekt bij de gemiddelde Nederlander. Er kan wat dat betreft een paralel getrokken worden met de machtsverdeling op internet. Degene met de meeste data (Google en Facebook), is het machtigst. De hoeveelheid data die verschillende organisaties, van overheid tot verzekeringsmaatschappij en van de Bijenkorf tot de Albert Heijn, over ons verzamelen is buiten proportioneel toegenomen. Via het bonuskaartsyteem weet Albert Heijn eerder dat je pindakaas op is dan jijzelf. In het geval van pindakaas is dit nog vrij onschuldig, maar een hypothetisch voorbeeld uit het werkcollege maakt duidelijk waar de schoen wringt: een moeder koopt bij de Albert Heijn 10 zakken chips, de kinderbescherming krijgt hier een melding van en neemt contact op met de moeder of het wel zo verstandig is om 10 zakken chips te kopen, want uit hun gegevens die ze uit de database van de huisarts hebben, blijkt dat het kind eigenlijk al iets te zwaar is. Panopticon anyone?
Het is een extreem voorbeeld, maar het geeft aan waar de hoeveelheid data die van ons bekend is toe kan leiden met behulp van datamining; het aan elkaar knopen van stukjes data vanaf verschillende plekken. Bovenstaand voorbeeld sluit aan bij wat Lyon in zijn tekst beschrijft als ‘policing at distance’ (115). Misschien wel een nog groter probleem dan de dataverzameling zelf, is de door Okhuijsen benoemde laconieke houding van de gemiddelde Nederlander. Het ontbreekt aan bewustzijn en zonder weerstand kan men ongestoord verder gaan met het verzamelen van data. Initiatieven als Bits of Freedom en Hack de Overheid trekken aan de bel, maar die bel lijkt alleen gehoord te worden door een voorhoede op internet die het belang van deze organisaties inziet. Het grote publiek ontgaat hun boodschap. De grenzen verschuiven steeds verder, maar het bewustzijn hiervan ontbreekt. Machtsrelaties zijn aan het werk en hun tentakels krijgen een steeds fermere grip op onze data, onze levens en daarmee de maatschappij. De “Ik heb toch niets te verbergen?”-houding van veel burgers ergert mij. Al is het alleen maar om het feit dat onze data veel waard is en we geven het zonder blikken of blozen gratis weg.
Op donderdag 21 oktober gaf Jeroen Steeman een presentatie over de online activiteiten van Groenlinks in het kader van het thema Nieuwe Media & Politiek. Naast de voor de hand liggende Groenlinks-propaganda is het verhaal van Steeman te plaatsen in de bredere context van het online publieke domein. De utopie van het internet als de meest ideale vorm voor een publieke ruimte is een veel beschreven thema als het gaat om internet en de relatie tot politiek. Ook Steeman gaat hierop in en haalt Habermas aan om duiding te geven een het begrip publieke ruimte en hoe hij hier mogelijkheden ziet. De veranderingen op het vlak van communicatie tussen machtsinstituten en burgers ligt hieraan ten grondslag. Deze verschuiving is geremedieerd door de opkomst van internet zoals ook Castelles onderschrijft: "Both the powers that be and the subjects of counter-power projects operate nowadays in a new technological framework (...)". (-2)
Steeman spitst dit gegeven toe op een aantal punten, Ten eerste zorgt het internet ervoor dat politiek een rechtstreeks contact kan hebben met de burgers. Een voorbeeld hiervan is de Twitter-account van Femke Halsema. "Iedereen heeft een potentieel miljoenenpubliek op internet en politici zouden dit nooit moeten negeren", aldus Steeman. Dat dit miljoenenpubliek zich ook tegen je kan keren blijkt uit de voorbeelden van het YouTube-filmpje van George Allen en de video over slotenmerk Kryptonite.
Terug naar de burger. Volgens Steeman kunnen burgers op internet participeren als nooit tevoren. Helaas haalt een van zijn eigen voorbeelden de kracht van deze stelling alweer weg. Het weblog van Halsema heeft geen comment-functie omdat dit in de praktijk te veel comments opleverde die met een understatemant 'niets toe voegen aan het publieke debat'.
In alle verhalen over internet als publieke sfeer schemert dan ook een technologisch imaginair door. Ik zal dit begrip even kort toelichten. Het begrip verwijst naar een verlangen wat geprojecteerd wordt op een technologie. In dit geval is er al eeuwenlang een streven naar een gezonde en levendige publieke sfeer, internet werd gezien als een technologie waarbij dit eindelijk tot stand zou komen. In de praktijk valt dit echter tegen, de meeste reacties zijn namelijk geen constructieve bijdrage aan het open debat, maar haatzaaiende en tendentieuze reacties die weinig waarde hebben.
Natuurlijk is het een feit dat mensen via het internet een podium tot hun beschikking hebben om ongenoegen en eigen suggesties aan het publieke domein bij te dragen. Mass self-communication, aldus Castelles (-11). Echter is het zeer de vraag in hoeverre dit op grote schaal gebeurd. De door Castelles beschreven counter-power (-11) lijkt dan ook een voorbeeld van het hierboven beschreven technologisch imaginair. Ik wilt dit graag onderbouwen door het volgende citaat van Castelles: "The emergence of mass self-communication offers an extraordinary medium for social movements and rebellious individuals to build their autonomy and confront the institutions of society in their own terms and around their own projects." (-11). Als uitgangspunt neem ik de volgende begrippen social movements and rebellious individuals. Natuurlijk zijn er specifieke voorbeelden van dergelijke begrippen (BitsofFreedom, HackdeOverheid) maar we komen nog lang niet in buurt van het breed trekken van deze aannames voor alle internetgebruikers. Nou zal dat waarschijnlijk nooit mogelijk zijn, dat is ook een onmogelijk streven. Waar het om gaat is dat het offline een kleine voorhoede was die de burger vertegenwoordigd in het publieke debat, dit zal op internet niet veranderen.
Daarnaast geeft het internet deze voorhoede wel de middelen om een groter publiek te bereiken. Ze hebben immers nu grote netwerken als Facebook en Twitter tot hun beschikking. Echter is de aanzet tot de daden bij sympathisanten door het internet misschien wel minder geworden dan in het pre-internet tijdperk. Waar vroeger demonstraties, protest, handtekeningenacties voorbeelden waren van het door Castelles beschreven counter-power, zijn dergelijke handelingen nu gedegradeerd tot een muisklik. Het like'en van de Anti-Wilderspagina op Facebook, het retweeten van een bericht van HackdeOverheid: het bereik van de publieke sfeer is op internet wellicht groter, de acties verliezen aan impact.
Bronnen:
Castells, Manuel. “Communication, Power and Counter- power in the Network Society.” International Journal of Communication 1 (2007): 238-266. http://ijoc.org/ojs/index.php/ijoc/article/view/46/35
Gladwell, Malcolm. "Twitter, Facebook, and Social Activism." The New Yorker. 4 Oct. 2010. Web. 22 Oct. 2010. <http://www.newyorker.com/reporting/2010/10/04/101004fa_fact_gladwell?currentP...
Lister, Martin. New Media: a Critical Introduction. Milton Park, Abingdon, Oxon: Routledge, 2009. Print.
“Het is een revolutie en daar vallen slachtoffers bij”, aldus freelance journalist en fulltime internetfenomeen Bert Brussen. In het verhaal van Brussen klinkt door dat zijn favoriete medium, internet, nog steeds niet (voldoende) serieus genomen wordt. Niet alleen door een oudere generatie mediamakers, maar ook door consumenten van nieuws en jongeren. Want ondanks dat internet inmiddels door onze samenleving heenloopt, is het qua journalistieke geloofwaardigheid nog lang niet zo gunstig gesteld. Zoals Brussen het verwoord: 'webloggen en internetopinie is nog een braakliggend terrein. Er zijn gelukkig vele goede voorbeelden waarin te zien is dat nieuwe media en journalistiek wel een goede match zijn.
Een zo'n voorbeeld is The Huffington Post, een progressief en liberaal Amerikaans nieuwswebsite/weblog. Dit is een website die journalistiek krediet heeft en serieus genomen wordt door traditionele media, maar ook door politici. Ze hebben macht verworven binnen het journalistieke veld. Juist dat gebeurd in Nederland nog te weinig. Opvallend genoeg lukt het vrijwel alleen schockblog GeenStijl regelmatig de media te halen en ook invloed te hebben. Denk aan het aftreden van Vogelaar die niet zo handig reageerde voor de GeenStijl-camera.
Deuze's tekst komt na het verhaal van Brussen erg gedateerd over, de tekst is immers geschreven in 2003. Deuze geeft in zijn tekst een overzicht van het online journalistieke landschap van toen. Deuze beschrijft vier vormen vormen van online journalistiek. "[1] mainstream news sites, [2] index and category sites, [3] meta- and comment sites and [4] share and discussion sites" ( blz 3). Deuze omschrijft deze soorten als online varianten van journalistiek omdat zij hetzelfde doel nastreven als de traditionele journalistiek: burgers voorzien van informatie. Net als Brussen in 2010 noemt Deuze de multimediale/crossmediale mogelijkheden van online journalistiek.
In 2003 typeert Deuze de potentie van online journalistiek op het vlak van connectitiviteit. (-15) Hiermee doelt hij op het open karakter dat een medium op internet kan nastreven in tegenstelling tot de meer gesloten structuur van het traditionele veld. "A shift form content to connectivity". Wat Deuze niet benoemt in zijn tekst is dat gezien bovenstaand gegeven, een combinatie van de vier beschreven type online journalistiek, het online journalistieke medium van de toekomst is. Mede door de parallel lopende ontwikkelingen als de opkomst van sociale media, prosumers en de deelcultuur. Dit zien van aan bijvoorbeeld het weblog van NrcNext dat wel een succes is geworden online.
De meest relevante conclusie van Deuze heeft betrekking tot interactiviteit. Hij onderscheidt hier navigational, functional en adaptive interactivity. Deze eerste twee varianten van interactiviteit vormen nog altijd de belangrijkste. De meest interessante, adaptive, is minder alomtegenwoordig. Opvallend genoeg zie je deze vorm van interactiviteit weinig terug op nieuwswebsites maar meer in specifieke applicaties. Flipboard is hier een voorbeeld van. De lijm tussen media, consument en content lijkt een interactiviteit die deels op de website plaatsvindt en deels op externe platformen: sociale media. Voortbordurend op het werk van Deuze lijkt deze vorm bestempeld te kunnen worden als 'crossplatform interactivity'. Platformen als Twitter en Facebook maken geen onderscheid en consument en journalist kunnen direct met elkaar in verbinding staan. Sociale media trekken bezoekers naar de website van een medium en vice versa. Daarnaast wordt ook de prosumer gerepresenteerd in deze vorm van interactiviteit: zie het voorbeeld van de Turkse vliegtuigcrash bij Schiphol. Reageren vindt deels plaats op de website, deels op deze externe platformen.
Nu moet de journalistiek nog een manier vinden om geld te verdienen via deze nieuwe kanalen. De discussies rond paywalls is actueler dan ooit met de komst van tablets. recente voorbeelden uit Amerika laten zien dat deze barrière nog lang niet geslecht is. Geld verdienen dus. Dit is nog nauwelijks gelukt en dat gaat ook niet iedereen lukken. Er verdwijnen nu al media (het Gesprek) en er zullen er nog meer verdwijnen. Maar zoals gezegd: het is een revolutie en daar vallen slachtoffers bij.
Bronnen:
Alfred Hermida (2010): "From TV to Twitter: How Ambient News Became Ambient Journalism" (http://journal.media- culture.org.au/index.php/mcjournal/article/viewArticle/22 0)
Mark Deuze (2003): "The Web and its Journalisms: Considering the Consequences of Different Types of Newsmedia Online" (http://nms.sagepub.com/content/5/2/203.short)
“De consument is een piraat geworden”, aldus Tim Kuik van Stichting Brein. De traditionele creatieve industrie is slachtoffer geworden van het internet waar de consument de gevestigde orde niet langer nodig heeft om in zijn mediabehoefte te voorzien. Deze nieuwe vorm van participatie binnen de creatieve industrie vervaagde de grenzen tussen categorieën van productie en consumptie en veranderde culturele waarde en autoriteit. [Uricchio, 2004] Ondanks dat het eerste P2P-fenomeen Napster al in 1999 werd opgericht, voeren we nog steeds dezelfde discussie rond auteursrecht. Kuik presenteert de missie van Stichting Brein als een missie om de creatieve industrie in stand te houden door te zorgen dat de creatieven hun geld krijgen. Op het eerste gezicht een nobel streven.
Een ander licht op de zaak doet terugdenken aan wat Adorno omschreef als cultuurindustrie. Een elitegroep van mediaproducenten die bepaalt wat de massa als cultuur ervaart via een duidelijk top/down principe. In het pre-internet tijdperk was het voor deze elite nauwelijks een opgave om traditionele verdienmodellen in stand te houden. De komst van internet veranderde dat. De homogene structuur van de oude media-industrie kon geen passend platform bieden voor snelle sociale interactie en stemde niet in met het snelle, onbureaucratische en de vaak gratis distributie van media. [Schaefer, 2005] Een copyright-activist, zoals McLeod, zou derhalve stellen dat een instantie als Stichting Brein de traditionele cultuur industrie de hand boven het hoofd houdt. Men heeft immers ruim 10 jaar de tijd gehad met innovatie en hedendaagse verdienmodellen te komen, maar faalde hierin jammerlijk. Zodoende klampt men vast aan een verouderd recht waarmee men toch vast kan houden aan bestaande verdienmodellen.
Terug naar creativiteit. McLeod beschrijft dat juist remix-cultuur creativiteit bevordert aan de hand van het voorbeeld van de mashups. De deconstructie van bepaalde texts tot een constructie van een geheel nieuwe text. De consument is geen piraat, maar artiest als we de visie van McLeod volgen. Een cultuuromslag die productie buiten de gevestigde corporate kanalen meebracht en de bestaande en potentiële relaties tussen corporate producenten en zelfstandige gebruikers voorgoed heeft veranderd. Productie veranderde, de consument veranderde, de markt volgde, maar het ‘juridische hekwerk’ rond de creatieve industrie niet. Juist dit punt blijft buiten beschouwing in het betoog van Kuik. Hij richt zich vooral op de muziekindustrie, de wegen die Brein doorloopt om misbruik van auteursrechtelijk beschermde files te bestraffen en de gevolgen hiervan voor de gebruiker. Het allesomvattende thema, auteursrecht, blijft niet of nauwelijks benoemd. Is dit recht nog wel relevant? Het is voorbijgestreefd door consument, markt en zelfs door een groot deel van de industrie die het ‘beschermt’. Of zoals McLeon het omschrijft in het geval van het Grey Album: “The Grey album was banned because it does not fit in to an outdated copyright regime (...)”.
Het auteursrecht is in huidige vorm gewoonweg niet geschikt voor het digitale domein, herziene formulering is noodzakelijk. De consument heeft inmiddels een dominante positie verkregen in het auteursrecht en moet hiernaar behandeld worden. Maatschappelijke gedragen opties als de consument vrij te stellen van inbreuk is een van de opties. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door het auteursrecht per definitie niet van toepassing te laten zijn op niet-commercieel gebruik. Een andere mogelijkheid is om de consument vrij te stellen van inbreuk, onder de voorwaarde dat hij een billijke vergoeding betaalt voor zijn gebruik. Een soort accijns voor downloaden. Internet is als een primair levensmiddels voor velen en mensen zullen bereid zijn iets dergelijks te betalen voor een optimaal gebruik van het medium. Gebruikers- en auteursvriendelijke DRM-toepassingen als Creative Commons zijn een andere optie. Copyleft hoeft namelijk niet vooral een parodie te zijn.
Everything is a Remix from Kirby Ferguson on Vimeo.
Bronnen:
Het is een schande! Dit blog is een beetje in de vergetelheid geraakt.
De laatste post dateert alweer van juni vorig jaar. Daarna kwam de vakantie en veel cursussen maakten zelf ook gebruik van blogs.
Ik ben ze dus vergeten door te plaatsen.
Ik zal alle noemenswaardige producten die elders online staan alsnog hier publiceren.
De Mul beschrijft in zijn tekst het transhumanisme als een overstijgende variant van het humanisme. Het meest interessante verschil is de opvatting van technologische vooruitgang, transhumanisten zien dit als een middel om natuurlijke grenzen te verleggen. Men neigt ook naar een samensmelting van mens en technologie, een cyborg. Technologie is geen bedreiging, maar vanuit het transhumanistisch perspectief een verrijking van het natuurlijk leven. In een transhumanistisch toekomstbeeld zou dit leiden tot de schepping van een posthumane levensvorm. Een conclusie die de Mul trekt is dat de mens inspraak heeft gekregen in zijn eigen evolutie, de technologie maakt dit mogelijk. We kunnen het biologische en natuurlijke dus loslaten. Hayles nuanceert bovengenoemde met een heldere verklaring; het posthumane hoeft geen cyborg-actig verschijnsel te zijn, het gaat om de nieuwe constructie van subjectiviteit. Dit komt voort uit haar standpunt dat bewustzijn niet los gezien kan worden van de materiële belichaming. Ze benadrukt de rol van het lichaam dat volgens haar nooit verloren mag gaan en in haar optiek ook nooit verloren kan gaan, informatie kan nooit los worden gezien van een medium, het is volgens haar dan ook onmogelijk om informatie en materie van elkaar te scheiden. Haar droom is dan ook dat we een posthuman creëren die de mogelijkheden van informatie omarmt maar zich niet laat verleiden tot het loskoppelen van het lichaam in het streven naar onsterfelijkheid.
Hakken denkt niet zozeer in termen van revolutie of evolutie. Hij pleit voor een cyborgficatie van antropologie. Ook constateert hij een entiteitprobleem voor cultuurdragende objecten in cyberspace. Lijnrecht tegenover de Mul staat Lee Worth Bailey die zich afvraagt, door middel van de pinokkio-metafoor waarom we robots niet gewoon robots laten zijn? Zijn insteek is echter twijfelachtig. Hij bekijkt vooral hoe robots gerepresenteerd worden in films en trekt dit in twijfel. Opvallend is dat Bailey zich vooral richt op het reproduceren van mensheid in technologie en de dichotomie tussen mechanisme en organisme, terwijl de Mul technologie juist als een verrijking van het biologische lichaam beschrijft en niet als iets wat daadwerkelijk een eigen leven zou moeten hebben of een reproductie van menselijkheid moet zijn. Uiteraard wordt het transhumanisme zoals geschetst door de Mul gekenmerkt door een technologisch imaginaire. Ook de teleologische benadering van een nieuw onderdeel in de evolutie van de mens staat ter discussie. Echter de technieken die de grenzen van ons biologische bestaan moeten verreiken bestaan al, we zien het terug in de medische wetenschap etc. Daarnaast is er, zoals Kurzwel in zijn werk beschrijft, in technologische innovatie een exponentiële groei waarneembaar. Dit zou er op wijzen dat de techniek zich leent voor de ideeën van het transhumanisme. Het klassieke idee van de cyborg zal ongetwijfeld een vorm gaan krijgen die verder gaat dan het gehoorapparaat of de pacemaker. Denkende objecten met handelingsvermogen lijken dus een kwestie van tijd. Hakken en Bailey weigeren om niet-menselijke dingen moraliteit toe te kennen, dit is echter te weerleggen vanuit het ANT perspectief en Latour’s voorbeeld van de verkeersdrempel die impliciet het handelingsvermogen van de mens vorm geeft. Zelf twijfel ik of AI ooit verder zal komen dan een simulatie van menselijkheid, ik constateer daarvoor dezelfde problemen als Hayles, daarentegen geloof ik in de technieken die ons leven kunnen verreiken.Frissen en de Mul nemen ons mee in geschiedenis van identiteitsvorming sinds de opkomst van ICT. Al snel komen de complicaties van de ICT aan bod; we hebben een overschot aan ervaringen die we opdoen tijdens ons mediagebruik. Het losser worden van en globalisering van sociale verbanden ligt hier aan ten grondslag. Thompson beschrijft dit in The media and modernity: A social theory of the media treffend door te stellen dat ‘in aanraking komen met’ los is komen te staan van de ‘beleving van’. We doen via media zoveel ervaringen op waarmee we mede onze identiteit vormen, bijvoorbeeld via televisie die werkt als een mobility multiplier; we gaan op een reis over de wereld en nemen ervaringen mee van buiten ons dagelijkse leven. Frissen en de Mul spreken, in navolging van Gibbens, van ‘radicale twijfel’. Er is geen pasklare methode hoe we de reflexieve zelf vorm moeten geven.
De Mul en Frissen beschrijven dus een identiteitsvormingsproces waar het individu, met multimediale hulpmiddelen, zelf actief bijdraagt in het vormen en het presenteren van identiteit. In de tekst van Bakker is een minder actieve rol weggelegd voor het individu. Het identiteitsproces dat Bakker beschrijft hanteert, net als de Mul en Frissen, de narratieve theorie, alleen is binnen de context van literatuur minder ruimte voor eigen bijdrage. De twee teksten aan elkaar knopend kan gesteld worden dat de tekst van Bakker een fase beschrijft waarin minder actief wordt bijgedragen aan identiteit en de tekst van de Mul en Frissen een fase daarna beschrijft waarin we zelf actief, online en multimediaal, een identiteit vormen. Ik vraag me af of we nu in een fase komen dat misschien wel de opvolger is van de fase die de Mul en Frissen beschrijven. Dit komt door het gevaar van commercialisering van het web, dat al genoemd wordt in Under Construction.
De concrete vraag die de auteurs hier stellen is of de commercialisering van het net zal leiden tot steeds sterkere vormen van standaardisering van de ervaring. Als we het tekst van Frissen en de Mul doortrekken naar het nu lijkt dat de meeste relevante vraag voor identiteitsvorming op het net. Identiteitsvorming anno 2010 is vaak het invullen van een profielformat van een willekeurig platform. De bijna 500 miljoen leden van Facebook hebben allen hetzelfde vragenlijstje over hun identiteit ingevuld. De Google’s en Yahoo’s van deze wereld proberen processen als zoekopdrachten en het lezen van website (door RSS) te standaardiseren. Al deze partijen verdienen geld met standaardisatie en zelfs aan het verkopen van identiteiten aan adverteerders.
De Hypermediale zelf, zoals beschreven in de conclusie van Frissen en de Mul is een goede afspiegeling van identiteitsconstructie op het web, de vijf kenmerken van het web die aanvullend zijn aan de narratieve identiteitstheorie van Ricouer vullen de theorie op de juiste wijze aan, echter heeft men nooit voorzien dat honderden miljoenen mensen wereldwijd hun identiteit zouden conformeren aan een profielformat van een willekeurig netwerk. Commercie lijkt, met als gevolg standaardisering, een deuk te slaan in de, in het verleden vaak utopische, benadering van online identiteitsvorming.
Het thema van deze week is eigenlijk de vraag of ICT nou daadwerkelijk een revolutie is of misschien zelfs een nieuwe oraliteit? Tiemersma probeert hierop een antwoord te vinden door grote verschillen te vinden tussen de orale, schrift- en multimediale/digitale cultuur. Aan de hand van de categorieën ruimtelijkheid en materialiteit, tijdelijkheid, energie en zelfbewustzijn komt hij tot de conclusie dat er geen dusdanige verschillen aanwezig zijn om te spreken van een revolutie of nieuwe oraliteit. Ik vind dat hij erg generaliseerde conclusies trekt en zijn theorie zeker niet waterdicht is, bijvoorbeeld in het kader van ruimtelijkheid doet hij de snelheid en directheid waarmee er globaal gecommuniceerd kan worden teniet en ziet dit niet als een significant verschil met bijvoorbeeld de orale cultuur. Een opvallende conclusie die hij als besluit trekt is dat de aard van het medium ondergeschikt is aan de pragmatisch-situationele factor.
Bovenstaande conclusie staat haaks op de strekking van ‘The medium is the message’ dat beargumenteert wordt door McLuhan in zijn tekst. Wat dat betreft zal McLuhan het eerder eens zijn met de Mul. Zij stellen samen dat de nieuwe digitale cultuur overeenkomsten toont met de orale cultuur, slechts het medium is anders. Beide erkennen ook media als extensies van het lichaam. Vanuit die filosofie stelt de Mul daarom ook dat ICT zeker als een revolutie kan worden beschouwd. Het menselijk lichaam grijpt andermaal een externe extensie aan om om te gaan met de nieuwe cultuur. Tijdens de eerste revolutie van oraal naar schrift gebeurde dit door middel van de menselijke geheugentechniek uit te besteden aan techniek (papier), dit leverde een ontwikkeling van selectieve en analytische functies door de nieuwe manier van omgaan met kennis. Ik ben het volledig met de Mul eens wanneer hij stelt dat deze externe uitbesteding weer plaatsvindt in de overgang van schrift naar digitaal en dat er dus weer van een revolutie gesproken kan worden. De cognitieve structuur wordt andermaal uitgebreid met techniek; selectieve en analytische functies worden aangevuld door digitale extensies als zoekmachines en smartagents. Dat er dus andermaal sprake is van een revolutie lijkt mij zodanig bewezen.
Vervolgens rest de vraag of er sprake is van een nieuwe oraliteit. Net als McLuhan en de Mul zie ik de smeltkroes van schrift en oraal terug in moderne media. Hoewel dit misschien een samenvoeging is van oraal en schrift, erken ik net als Tiemersma dat er niet iets baanbrekend anders is, zodat er gesproken kan worden over een nieuwe of secundaire oraliteit. Het beeld dat de Mul schetst over het internet als ‘superbrein’ zal wat dat betreft eerder een nieuwe oraliteit opleveren, een van gedachten in het menselijk brein die communiceren met een netwerk dat ergens in de lucht zweeft. De communicatie is niet oraal omdat het niet wordt uitgesproken en niet materieel omdat het niet op schrift staat. Een benadering vanuit de categorieën van Tiemersma zou dan een heel andere conclusie opleveren.